Opvang van Rohingya-vluchtelingen in Bangladesh

Tineke Ceelen, directeur van de St. Vluchteling, bracht een bezoek aan een vluchtelingenkamp in Cox’s Bazar; hier haar verslag:

Op het oog is het een vrolijke bende, de smalle onverharde weg die naar het grote vluchtelingenkamp Kutupalong leidt. Potsierlijk opgetuigde riksja’s, tuktuks met kunstige zilveren ornamenten, grote blinkend witte landcruisers van de Verenigde Naties en vrachtwagens volgestouwd met goederen en mensen banen zich al toeterend, rinkelend en schreeuwend een weg. Tot de hele karavaan ineens tot stilstand komt. Even verderop is een vrachtwagen beladen met bakstenen diep in de modder gezakt, die gaat voorlopig nergens meer heen. En dus zit het verkeer naar Kutupalong muurvast.

Wij gaan te voet verder. De hitte, of eigenlijk vooral de luchtvochtigheid van bijna 90%, is ondraaglijk. Binnen luttele minuten ben ik tot op de draad nat. Met stralen loopt het zweet over mijn voorhoofd, rug en benen. Mijn collega’s en de vluchtelingen vergaat het al niet beter. Een oude man ziet dat ik het moeilijk heb. Hij komt naast me lopen en wappert ons beiden met een uit de kluiten gewassen waaier koelte toe. Ook hij is gevlucht uit Myanmar. Zijn vriendelijkheid ontroert me. Ik moet hém helpen, niet hij mij.

We klauteren van een helling af, door een rivierbedding, springen over een stroompje drassig stinkend water. Ik zie uitwerpselen, zo te oordelen menselijke. De bestaande latrines zijn berekend op 30.000 mensen en niet op, minstens, 733.000 mensen. Door het intensieve gebruik zijn ze zo smerig geworden dat vluchtelingen er de voorkeur aan geven tussen de bamboe hutten, of in deze rivierbedding hun behoeften te doen. Uit een ooghoek zie ik nog net hoe een jongetje zijn jerrycan vult met water, datzelfde water waar de ontlasting in ronddrijft. Ik geloof dat ik niet wil weten wat hij met het water gaat doen.

De 17-jarige Tosminana en haar jongere zusje zijn de enige twee overlevenden van het gezin van vijf. Schuchter vertelt ze hoe ze zag dat haar vader, moeder en broer vermoord werden. Ze rende weg, op haar blote voeten. ‘Ik zag ons dorp branden’, voegt Tosminana toe terwijl ze een traan wegveegt met haar roze hoofddoek. Dagenlang liepen de zussen met een grote groep vrouwen uit hun dorp richting grens. Onderweg sliepen ze op de grond, in het bos. Tosminana en haar zus verkochten hun gouden oorbelletjes om de overtocht over de grensrivier de Naf te kunnen betalen.

De dichtstbijzijnde latrine is ver lopen, horen we. Ook Tosminana zoekt stille plekjes tussen de tenten om te plassen. Nu ik erop ga letten zie ik verschillende nieuwe latrines, door de vluchtelingen zelf gegraven. Niet meer dan een paar palen, tentzeil en een simpel gat in de grond. De grond is schaars en dus staan de latrines op onmogelijke plekken. Eentje was op de rand van een helling gebouwd. Dat liep, voorspelbaar, niet goed af. De inhoud van de latrine is over het pad door het kamp gestroomd.

Dat er ziekten uitbreken in de vluchtelingenkampen is, na wat ik gezien heb, geen wonder.