Opvang van Rohingya-vluchtelingen in Bangladesh

De pas 14-jarige Shofik zit al geruime tijd met zijn zusje Razia (10) in een vluchtelingenkamp in Bangladesh. Ze vluchtten samen met hun moeder en tweejarige zusje Jin Ara uit Myanmar, maar de laatste twee zijn nooit in het kamp aangekomen. Shofik en Razia volgden tijdens hun vlucht een groep Rohingya, die een dorp in rende. Sindsdien hebben ze niets meer van hun moeder en zusje vernomen. Hun vader Solim is al eerder weggevoerd in Myanmar. Toen Shofik zijn opgepakte pa wilde opzoeken, moest hij klusjes doen voor het leger. Hij kon ontsnappen toen hij met een soldaat boodschappen deed op de markt. Shofik heeft er een litteken aan overgehouden, want toen hij wegrende kreeg hij een kogel in z’n linkerarm. De markt waarop zijn vader en ooms geld verdienden, bleek niet veel later ook nog eens te zijn afgebrand.

De familie van Shofik besloot te vertrekken uit Myanmar. Kilometers lang liepen ze naar de grens, terwijl steeds meer lotgenoten zich bij hen voegden. De Rohingya zijn alles kwijt: hun land, burgerschap, vrijheid van meningsuiting en mobiliteit zijn afgenomen, of sterk verminderd. Na vijf dagen lopen kwamen Shofik en Razia zonder hun moeder en zusje aan in vluchtelingenkamp Kutupalong. Nu horen ze bij de 320.000 Rohingya-kinderen die ver van huis moeten zien te overleven. Ondanks alles mist Shofik zijn land en zijn school. Hij heeft al eens geprobeerd om weg te gaan uit Kutupalong, maar een tante kon hem tegenhouden.