Pasen 2021Signalen

Onbarmhartig, dat was ons oordeel over die gemeente die een bijstandsmoeder bestrafte die boodschappen van haar moeder kreeg toegestopt. Het lag allemaal wat ingewikkelder bleek later, maar onze eerste reactie was veelzeggend. Barmhartig vinden we mensen die een hand over het hart kunnen strijken. Mensen die niet strikt aan de regels vast houden, maar oog hebben voor de ellende van de ander. Mensen die laten blijken: wat die ander mee maakt, laat me niet koud.

In de bijbel is barmhartigheid een eigenschap van God. Dat belooft wat! Zijn volk Israël laat Hij niet vallen, zelfs al laten zij Hem steeds weer in de steek. Door hun ontrouw komen ze in de problemen, waarna de Heer zich over hen ontfermt. Als een moeder haar kind niet in de steek laat, dan God zeker niet zijn volk!

Iemand schreef: in Jezus heeft Gods barmhartigheid vlees en bloed aangenomen. Dat kan ik zelf niet mooier zeggen! Jezus was vaak met ontferming bewogen als hij zag hoe mensen er aantoe waren. Hij ontmoet armen, zieken, bezetenen, en mensen die op het slechte pad zijn geraakt en de weg terug niet weten te vinden. Hij was met ontferming bewogen lezen we dan. En dat is letterlijk de betekenis van het Griekse woord splanchidzesthai dat alles te maken heeft met nieren en ingewanden. Daar, diep van binnen, is de pijn over al dat leed voelbaar.

Jezus hoopt dat wij ook niet onbewogen blijven bij het zien van de moeiten die anderen meemaken. Hij hoopt dat wij dan handelen. En als we dat doen, als we een mens helpen, dan helpen we Hem, want hij is bij de verschoppelingen van deze wereld.

Zeven werken van barmhartigheid kennen we: hongerigen te eten geven, dorstigen te drinken geven, naakten kleden, vreemdelingen opnemen, zieken bijstaan, gevangenen bezoeken, doden begraven. De eerste zes vinden we terug in de woorden van Jezus in Matteüs 25. De zevende is er later aan toegevoegd. Jozef van Arimatea bewees Jezus die barmhartigheid, en stelde na zijn dood aan het kruis een graf ter beschikking.

Hoewel ik weleens andere geluiden gehoord heb, meen ik dat christenen vanouds voorop gingen in deze levensstijl. Monniken en nonnen hielpen allen die op zoek waren naar geneesmiddelen. Armenhuizen waren vaak een christelijke instelling. Dat daar ook niet alles goed ging, doet ons verdriet. Maar het ontslaat ons niet van de plicht te ontdekken hoe wij vandaag, met anderen samen, ons in kunnen zetten voor mensen die het minder hebben.

Juist nu in deze coronatijd, moeten we ogen en oren open houden: waar zitten de noden? Voor wie kunnen we iets betekenen? De kunst is daarbij niet te denken: maar is dat niet meer een taak van de kinderen, of van de overheid?

Toen een oude mevrouw in de krant zich vertwijfeld afvroeg hoe ze bij de ‘priklocatie ‘moest komen zonder vervoer, reageerde een echtpaar per brief: Mevrouw, u woont in het westen en wij in Groningen maar we komen eraan en brengen u er naar toe…

Dat noem ik een staaltje van barmhartigheid!